Eten, drinken, slapen, seks : onze primaire behoeften.

Pas als deze bevredigd zijn, gaan we op zoek naar meer : naar luxe. Dat zit nu eenmaal in de mens : de neiging het zo prettig mogelijk voor zichzelf te maken.
We zijn ook nog eens lui van nature, en zoeken graag de weg van de minste weerstand. Maar wanneer is er sprake van luxe ? Dat hangt af van meerdere factoren.

Een daarvan is de welvaart van een land. Zo is het voor ons in Nederland normaal dat we schoon drinkwater direct uit de kraan kunnen halen. Voor inwoners van Derde Wereld landen en zelfs voor de meeste inwoners van warme landen in Europa – die water uit flessen of uit een bron moeten halen – is dat echter een grote luxe.

Een andere factor is de veiligheid van een land. Een jaar waarin er eens geen bom ontploft is voor de inwoners van Israel een enorme luxe, terwijl dat voor ons bijna vanzelfsprekend is.

Dan het zorgmodel in een land. Hoewel de Verenigde Staten een rijke mogendheid zijn, is de gezondheidszorg er voor de gemiddelde burger veel slechter geregeld dan bij ons, en stellen de door de staat verstrekte pensioenen er niet veel voor. Wij ervaren ons AOW-tje en de zorg in de ziekenhuizen niet als een luxe ; Amerikanen denken daar echter heel anders over.

Ook van belang is de mate van intellectuele en culturele vrijheid in een land. In China is het nog steeds een grote luxe als men zich kan permitteren kritiek op de regering uit te oefenen. Hier wordt iemand die geen kritiek heeft op de politiek niet voor vol aangezien !

De laatste factor is natuurlijk de individuele welstand. Zo is een degelijke auto als een BMW, Mercedes of Volvo voor een zakenman met een bovenmodaal inkomen geen buitensporige luxe, terwijl het dat voor een student, die al blij is met iets dat vier wielen heeft, beslist wel is.

Zo’n auto redde mij in 2006 trouwens wel het leven. Ik reed rond middernacht op de snelweg, toen het van het ene op het andere moment begon te stortregenen. Een ongelofelijke hoosbui, waar de ruitenwissers niet meer tegenop konden. Opeens raakte ik, door aquaplaning, in een slip. Mijn auto werd volledig onbestuurbaar en begon als een razende om zijn as te tollen. Door de snelheid waarmee dit gebeurde, werd het uitzicht gereduceerd tot een grijze waas. Om mij heen hoorde ik een diep, zwaar geloei. Het leek of ik mij in het hart van een tornado bevond, of in het voorportaal van de dood. Opeens knalde ik tegen de vangrail ; de twee voorwielen braken af. De auto stuiterde verder en kwam tenslotte rokend en met nog draaiende motor tot stilstand, dwars over de weg. De carrosserie was total loss, maar airbag en gordelspanners hadden goed gefunctioneerd en de veiligheidskooi was volledig intact. Evenals ikzelf …

Nog nooit ben ik zo dicht bij de dood geweest. En nog nooit ben ik zo dicht bij het antwoord op de vraag “wanneer is er sprake van luxe ?” geweest. Ik zal het jullie zeggen : als je in goede gezondheid mag leven te midden van je dierbaren. In een land waar dat kan in vrede en vrijheid. Die luxe, die heeft toekomst.

Robert Schoemacher, cosmetisch arts