“Ik ben benieuwd wat u voor me kunt doen, dokter”, zei de grijsaard die in de stoel tegenover me had plaatsgenomen. Ik verzocht hem aan te geven waar hij zich aan stoorde. “Ik heb veel rimpels”, antwoordde hij, “mijn wenkbrauwen staan wat laag, mijn wangen zijn een beetje ingevallen, en mijn lippen zijn mettertijd wat smaller geworden.” Ik vroeg hem hoe oud hij was, maar daar gaf hij een ontwijkend antwoord op.

“Ik ben nog heel actief, ik rijd bijvoorbeeld nog dagelijks paard, en ben veel in de weer met jongeren. Maar ik heb het idee dat men geen respect meer voor me heeft. Alles draait tegenwoordig om een jeugdig voorkomen. Voldoe je daar niet aan, dan ben je oud en word je afgeschreven.”

Ik informeerde of hij zich zelf aan zijn uiterlijk stoorde. Hij antwoordde dat uiterlijke zaken hem tot voor kort eigenlijk nooit zo hadden beziggehouden. Een gouden regel uit mijn professie luidt dat als iemand om een behandeling vraagt door druk uit zijn omgeving, je dan niets moet doen. Ik adviseerde hem daarom naar zijn positieve punten te kijken: hij had een prachtige kop met wit haar en een volle baard. Vriendelijke ogen. Een goede gezondheid. Ik zei hem dat zijn levenservaring en –wijsheid juist in de omgang met jonge mensen zeer van pas zouden komen. Een injectable behandeling raadde ik hem sterk af.

“Bedankt voor het advies, dokter”, zei hij, “zo had ik het nog niet bekeken. U heeft me echt geholpen. Ik weet dat u een dochtertje van zes jaar heeft. Laat u haar vanavond haar schoentje zetten, dan vindt ze vast en zeker een leuk presentje.”

Hij gaf me een ferme hand. Toen ik hem had uitgelaten, vroeg ik me af waar ik de man toch ook weer van kende. Misschien van de televisie?

Robert Schoemacher, cosmetisch arts